De algemene rechtsbeginselen stellen eisen en kaders aan beleid en regelgeving. Beleid of regels die daar onvoldoende bij aansluiten, kunnen worden uitgesloten of verworpen.
Onder de algemene rechtsbeginselen vallen:
Subsidiariteit: de minst bezwarende maatregel of actie wordt gekozen;
Proportionaliteit: acties, sancties en beslissingen staan in verhouding tot het (mogelijk) gepleegde feit;
Behoorlijk bestuur: gebaseerd op vertrouwen, rechtszekerheid, gelijkheid en onpartijdigheid;
Legaliteit: overheidsoptreden dat ingrijpt in de rechten en plichten van burgers moet een wettelijke grondslag hebben;
Kenbaarheid van regelgeving: burgers moeten de regels kunnen kennen;
Redelijkheid en billijkheid: redelijkheid en rechtmatigheid gelden als ongeschreven regel bij afspraken en situaties;
Hoor en wederhoor: alle partijen mogen hun kant van het verhaal doen;
Onschuldpresumptie: een verdachte is onschuldig tot het tegendeel is bewezen;
Détournement de pouvoir: een wet mag alleen worden gebruikt waarvoor hij bedoeld is;
Ne bis in idem: niemand wordt twee keer veroordeeld voor hetzelfde feit;
Schutznorm: een vormfout heeft geen gevolg als de verdachte niet zelf is geraakt in het belang dat het geschonden voorschrift beschermt.