1. Straffen zijn per artikel vastgesteld. Mogelijke straffen zijn:
    • waarschuwingen;
    • taakstraffen;
    • celstraffen;
    • rijontzeggingen;
    • inbeslagnames of invorderingen;
    • boetes.
  2. Een opgelegde straf kan een combinatie van deze strafvormen zijn, met uitzondering van lid 3.
  3. Celstraf óf taakstraf. Staan bij een artikel zowel een celstraf als een taakstraf, dan is de taakstraf een alternatief voor de celstraf: voor één feit wordt het een van beide, nooit allebei.
    1. Uitgangspunt is de celstraf.
    2. In plaats daarvan kan een taakstraf worden opgelegd bij een eerste veroordeling, een lichte uitvoering van het feit of verzachtende omstandigheden.
    3. De (hulp)officier van Justitie beslist welke van de twee wordt opgelegd. Een boete en een rijontzegging kunnen daarnaast altijd worden opgelegd.
    4. Staat bij een artikel alleen een taakstraf, dan wordt die opgelegd in plaats van een celstraf.
  4. Geen taakstraf bij zware geweldsdelicten. Bij feiten waarbij een ander ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen of van zijn vrijheid is beroofd, zoals zware mishandeling, gijzeling en een overval met geweld, wordt geen taakstraf opgelegd (vgl. art. 22b Sr). Bij die artikelen staat daarom alleen een celstraf.
  5. Samen opgeteld bedraagt een taakstraf ten hoogste 240 uur (art. 22c Sr).
  6. Een opgelegde straf is nooit hoger dan de vastgestelde waarden.
  7. Een straf kan wel hoger worden door het stapelen van overtredingen.
  8. Zijn er bij een geweldsdelict meerdere slachtoffers, dan komt er voor elk extra slachtoffer 25% van de oorspronkelijke straf bij.
  9. De maximale celstraf is 60 maanden, tenzij een Officier van Justitie anders beslist.
  10. Een straf kan lager worden door verzachtende omstandigheden (zie strafvermindering).
  11. Een straf kan geheel of gedeeltelijk worden kwijtgescholden op basis van uitsluitingsgronden.