Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan alleen worden aangenomen als dat blijkt uit wettige bewijsmiddelen (art. 338 Sv).
Als wettige bewijsmiddelen gelden alleen (art. 339 Sv):
eigen waarneming van de (hulp)officier van Justitie of rechter, waaronder ambtelijk zicht;
verklaringen van de verdachte (art. 341 Sv): het bewijs kan niet uitsluitend op de verklaring van de verdachte worden aangenomen;
verklaringen van een getuige (art. 342 Sv): het bewijs kan niet uitsluitend op de verklaring van één getuige worden aangenomen;
verklaringen van een deskundige (art. 343 Sv): een verklaring en oordeel op basis van zijn kennis en kunde;
schriftelijke bescheiden (art. 344 Sv), waaronder (audio)visueel bewijs zoals bodycambeelden of foto's.
Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan:
processen-verbaal en andere stukken die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door bevoegde personen of instanties, over feiten of omstandigheden die zij zelf hebben waargenomen of ondervonden;
verslagen van deskundigen over hun onderzoek of de informatie waarom is gevraagd;
alle andere stukken, die alleen meetellen in samenhang met andere bewijsmiddelen.
Het bewijs dat de verdachte het feit heeft gepleegd, kan worden aangenomen op alleen het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar (art. 344 lid 2 Sv).
Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid hoeven niet te worden bewezen (art. 339 lid 2 Sv).